Column: De schaamte voorbij

Eén van de columns die Linda voor ons tijdschrift MEdium heeft geschreven:

Acht jaar geleden las ik over ME. Over een vrouw die al acht jaar ziek was. Het was voor mij een schrikbeeld. Ik kon me veel voorstellen, maar zo lang zo ziek? Dat ging mij niet overkomen.

Ik zocht, vocht en worstelde, viel talloze keren en stond steeds weer op. Ik zocht naar verklaringen, oplossingen, manieren en wegen. Beet me met ijzeren discipline en vastberadenheid vast in alles wat helpen kon. Er kwamen steeds nieuwe helpers op mijn pad die me een stukje verder op weg hielpen. Ik vocht met beren. Met onbegrip en weerstand. Moedeloosheid en wanhoop. Pijn en verdriet. Ik verloor en ik won. Mijn energie, werk, sociaal leven, bewegingsvrijheid, onbevangenheid en de vanzelfsprekendheid van het dagelijks leven raakte ik kwijt. Ik won een andere levensinstelling, een gezonder voedingspatroon, een leven buiten de kaders, het lef om kwetsbaar te zijn, de kunst om aandachtig en dankbaar te leven, bijzondere ontmoetingen en vriendschappen.

De vrouw waar ik acht jaar geleden over las, ben ík nu. Als ik in de spiegel kijk, zie ik haar. Misschien wel voor het eerst, zie ik haar écht. En ik schaam me voor haar. Voor wie ze geworden is, voor haar ziekte en falende herstel. En ik zie schuld. Het voelt alsof het mijn eigen schuld is dat ik ziek ben en het me niet lukt om beter te worden. Ik wéét ergens in mijn hoofd dat dit niet waar is. Dat de schuld en schaamte zich onterecht aan mijn spiegelbeeld opdringen. Maar ze zitten er toch, al die jaren. Comfortabel tegen elkaar aan gekluisterd in een vergeten hoekje van mijn hart. Ik denk dat het tijd wordt dat ze tevoorschijn komen. Uit het donker, in het volle licht. Dat het goed is om ze te zien. Te erkennen dat ze er zijn. Toe te staan ze te voelen en ze bij hun naam te noemen. Zodat ik kan laten zien dat ik sterker ben. Sterker dan mijn angst, schaamte en schuldgevoel bij elkaar.

Als ik weer in de spiegel kijk, zie ik ook iets anders: kracht. Ik genas misschien (nog) niet van mijn ziekte. Maar dwars door mijn zware bonkende wattenhoofd, een bang hart en een ziekte waar niemand grip op krijgt, kwam er iets op gang. Ik weet niet of ik zonder ME zou zijn waar ik nu ben. Ik ken het grotere plaatje niet. Ik ben niet blij dat ik het heb. En er zijn nog steeds momenten waarop ik verlangend kijk naar de wereld die buiten op me te wachten ligt. Maar hoeveel het me ook ontnam en hoe het me ook beperkt in mijn doen en laten, het heeft me ook zoveel rijker gemaakt. Andere chronisch zieken zeiden dat. Dat je uiteindelijk, door je ziekte heen, op een betere plek kunt komen. Ik wilde daar ook zijn, op die plek. Ik begreep wat ze bedoelden, kon het bijna aanraken, maar kon het niet vastpakken. Door mijn ziekte ben ik met mijn neus op mijn leven gedrukt. Er was voor mij op een gegeven moment geen ontsnappen meer aan. Het was ikzelf. Mijn lichaam. Mijn geest. En de lange lege dagen en slapeloze nachten die zich voor me uitstrekten. Ik kon kiezen: óf me nestelen in ontkenning en ellende, óf het aangaan. Ik deed het tweede.

Ik bén die vrouw, die al acht jaar ME heeft.
En ik voel me sterker dan ooit.

Linda